Op de arbeidsmarkt proberen vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te komen. De arbeidsmarkt kent een conjuncturele en een structurele kant, die uiteraard met elkaar te maken hebben. Wanneer bijvoorbeeld als gevolg van de crisis een generatie schoolverlaters een moeizame start op de arbeidsmarkt heeft, kan dat op de langere termijn gevolgen hebben voor de structurele omvang, kwaliteit en inzetbaarheid van de beroepsbevolking. En wanneer er tijdens een periode van hoogconjunctuur onvoldoende getracht wordt outsiders op de arbeidsmarkt een start te bieden, zal tijdens een volgende laagconjunctuur een nog hogere werkloosheid te zien zijn dan voorheen.
Doordat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt nooit helemaal met elkaar in evenwicht zijn, is er altijd sprake van werkloosheid en van moeilijk vervulbare vacatures. Op dit moment gaat, onder invloed van de economische crisis, de meeste aandacht uit naar de werkloosheid. Ook de werkloosheid heeft een structurele en een conjuncturele kant. De structurele kant betreft de werkloosheid die er is, ongeacht de stand van de conjunctuur. Structurele werkloosheid kan een drietal soorten oorzaken hebben. Ten eerste kan er structureel te weinig werk zijn doordat de lonen te hoog zijn om de vraag voldoende te laten toenemen om een evenwicht te bereiken. Er kan ten tweede ook structurele werkloosheid zijn doordat werkgevers andere competenties vragen dan werklozen te bieden hebben. En ten derde kan er structurele werkloosheid zijn doordat werkzoekenden de vacature waarop ze passen niet kunnen vinden of enige zoektijd nodig hebben. De conjuncturele werkloosheid betreft de werkloosheid die veroorzaakt wordt door laagconjunctuur.
In 1970 bedroeg het werkloosheidspercentage een bescheiden 0,7 procent. Tijdens de laatste hoogconjunctuur, in 2000, was dat 3,5 procent. We kunnen dus stellen dat de structurele component van de werkloosheid in 40 jaar tijd sterk is opgelopen. Al doet de conjunctuur het nog zo goed, de werkloosheidscijfers van 1970 krijgen we er niet mee terug. Daartoe is nodig dat de arbeidsmarkt weer net zo goed gaat functioneren als in 1970, en vraag en aanbod weer net zo goed op elkaar gaan passen. Zo ver is het echter nog niet. Halverwege 2010 was de werkloosheid opgelopen naar 5,5 procent. De crisis veroorzaakte dus een werkloosheidstoename van twee procentpunten. Dat kon o.a. zo laag blijven door alle maatregelen die overheden, werkgevers en werknemers getroffen hebben.
Gebeurtenissen op de korte termijn mogen ons echter niet afleiden van wat er structureel aan de hand is. De vergrijzing brengt met zich mee dat, om ons welvaartspeil in stand te houden, een steeds groter deel van wie in potentie kan werken ook daadwerkelijk aan de slag gaat. En dan nog het liefst in een baan met een hoge productiviteit. Daarbij moeten we blijven werken aan een kwalitatief hoogwaardige, optimaal ingezette beroepsbevolking om onze concurrentiepositie te verstevigen en er voor te zorgen dat Nederland geen ‘lage lonen’ land wordt. Het arbeidsmarktbeleid van de komende jaren zal daar dan ook gericht op moeten zijn. Door bijvoorbeeld scholing te stimuleren, maar ook door te blijven inzetten op het betrekken en stimuleren van diegenen die een grotere afstand tot de arbeidsmarkt hebben.
De RWI brengt jaarlijks zijn Arbeidsmarktanalyse uit. Daarin worden de recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt beschreven en wordt vooruit gekeken naar de nabije toekomst, maar ook naar de gevolgen voor de langere termijn. In de Arbeidsmarktanalyse beschrijft de RWI een aantal beleidsaandachtspunten. Deze punten zijn ook richtinggevend voor het werkprogramma van de RWI.
In de Arbeidsmarktanalyse 2010 beschrijft de RWI dat in het afgelopen jaar vooral in de marktsector veel banen verloren zijn gegaan die de komende jaren waarschijnlijk niet terug zullen komen. Tegelijkertijd zal er waarschijnlijk ook op de collectieve sector flink bezuinigd worden, met mogelijk gevolgen voor de werkgelegenheid. Daar staat tegenover dat er in het afgelopen jaar veel mensen met pensioen zijn gegaan (de ‘babyboomers’). Ook in de komende twee jaar zal dit het geval zijn. De RWI rekent af met de gedachte dat er in Nederland dankzij de vergrijzing, zonder noemenswaardige inspanningen, op den duur werk voor iedereen zal zijn. Hoewel er in bepaalde sectoren wel tekorten kunnen ontstaan aan mensen met specifieke kennis en vaardigheden zal er zeker de komende twee jaar over het algemeen een overschot aan werknemers blijven. Met name voor werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt blijft het moeilijk om werk te vinden. Datzelfde geldt voor hoger opgeleiden met specifieke kennis. Om er toch voor te zorgen dat zoveel mogelijk mensen een baan vinden, moet er volgens de RWI dan ook nu worden geïnvesteerd. Allereerst in de (potentiële) werknemers, bijvoorbeeld door scholing. Daarmee zal de omvang en productiviteit van de werkgelegenheid kunnen toenemen. Ten slotte moet de aansluiting tussen de opleiding van werknemers en de eisen die de arbeidsmarkt aan hen stelt verbeteren. Kortom, een kwalitatieve en kwantitatieve aanpak die een impuls geeft aan de versterking van onze economie. Het creëren van samenhang tussen arbeidsmarktbeleid en macro-economisch beleid is daarvoor van groot belang. De beleidsagenda aan het slot van de Arbeidsmarktanalyse 2010 biedt daartoe een aantal praktische aanknopingspunten. Hierin staat centraal dat goed arbeidsmarktbeleid een onmisbare voorwaarde is voor een krachtig economisch herstel. Sociale partners en VNG gaan deze uitdaging graag aan.