In dit rapport wordt ingegaan op de vraag in hoeverre organisaties binnen de overheid en het onderwijs succesvol zijn in het stimuleren van het (productief) langer doorwerken van hun werknemers. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de effecten van de invoering van het ABP Keuzepensioen en het afschaffen van de FPU regeling in 2006 die beoogde de arbeidsmarktparticipatie van oudere werknemers te verhogen. Werknemers die geboren zijn in of na 1950 hebben geen recht meer op FPU pensioenrechten en zullen daardoor langer moeten doorwerken. Uit de onderzoeksuitkomsten kan worden geconcludeerd dat veel werknemers die geboren zijn in 1950 toch vervroegd met pensioen willen gaan en vooral de levensloopregeling aanspreken om dit te verwezenlijken. Daarnaast zijn ze ook vaker voor hun pensioen gaan sparen, beleggen of hebben ze lijfrentepolissen afgesloten. Dit betekent dat de vervanging van de FPU door het ABP Keuzepensioen slechts in beperkte mate zal leiden tot een verhoogde arbeidsmarktparticipatie en dat de financiële prikkels om langer door te werken slechts in beperkte mate effectief zijn. Werknemers die door de verslechtering van hun pensioenrechten gedwongen worden om later met pensioen te gaan, of een lagere pensioenuitkering te accepteren zijn blijvend minder tevreden met hun leven, minder tevreden met hun baan en vaker depressief. Daardoor is het zeer waarschijnlijk dat de vervanging van de FPU door het ABP Keuzepensioen een negatief effect heeft op de productiviteit van oudere werknemers. Dit leidt tot de conclusie dat wanneer uitsluitend financiële prikkels worden ingezet om de vervroegde pensionering af te remmen, de duurzame inzetbaarheid van oudere werknemers in feite verslechtert. Bron: rapport; bewerking RWI
Naar het rapport