De dienstencheque is in Vlaanderen een groot succes. Het aantal aanbieders, het aantal gebruikers, het aantal uren verstrekte hulp, het aantal personen tewerkgesteld, bomen lijken tot in de hemel te groeien. Eindelijk werd huishoudelijke hulp een volwaardige baan. Het dienstenchequestelsel brengt echter een zeer zware budgettaire kosten voor de overheid met zich mee. Vanaf het begin werd deze budgettaire kost geminimaliseerd door allerlei terugverdieneffecten in kaart te brengen. Ook de impact op de strijd tegen het zwart werken werd telkens opnieuw heel rooskleurig voorgesteld. In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de werkelijke kostprijs van de dienstencheques. Wat zijn de werkelijke terugverdieneffecten van het stelsel? Is er nu minder zwartwerk? Is het stelsel in de toekomst nog betaalbaar? Is de dienstenchequefinanciering wel een prioritaire taak van de overheid? Is er behoefte aan een doelgroepenbeleid voor de gebruikers? Dit rapport illustreert dat de expansie en verdere wenselijke expansie zowel bruto, maar ook netto, aanzienlijke kosten voor de overheid met zich meebrengt. Met het voortduren van de economische crisis wordt de budgettaire marge des te nijpender. Zoals bomen niet tot in de hemel groeien, moet de overheid meer en meer keuzen maken omtrent haar prioriteiten. Zich bewust zijn van de werkelijke uitgaven, kan het maken van deze keuzen vergemakkelijken. Het is volgens de onderzoekers noodzakelijk dat de overheid deze keuze maakt aangezien het hier voornamelijk over overheidsmiddelen gaat. Bron: website HIVA; bewerking RWI
Naar het rapport