ZOEK

Ontwikkeling van re-integreerbaarheid

J. Koen, U.C.Klehe, A. van Vianen, UvA, Fac de maatschappij- en gedragswetenschappen, In opdracht van: Dienst Werk en Inkomen, Gemeente Amsterdam
UvA, Amsterdam
nov 2009 Rubriek: Re-integratie

Tot nu toe kan de effectiviteit van re-integratie zowel in de wetenschap als in de praktijk slechts worden gemeten aan de hand van het aantal mensen dat een betaalde baan vindt. Het is momenteel niet mogelijk om de ontwikkeling van mensen richting een succesvolle re-integratie te meten. Onderzoek richt zich daarom op het ontwikkelen van een methode waarmee de groei in re-integreerbaarheid en competentieontwikkeling van klanten inzichtelijk kan worden gemaakt, zodat het effect van trajecten meetbaar kan worden gemaakt en de effectiviteit van de huidige werkwijze kan worden verbeterd. Hiertoe is een trapsgewijs model opgesteld. Het model omvat verschillende re-integratiefactoren en competenties die invloed (kunnen) hebben op de uitstroom naar werk en die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van re-integreerbaarheid van een klant.
Het huidige onderzoek bestond uit een vervolgmeting onder ca. 1000 klanten van DWI om inzicht te krijgen in hun ontwikkeling in het afgelopen jaar, meer specifiek in de ontwikkeling van hun re-integreerbaarheid en bijbehorende competenties. Daarbij is eveneens gekeken naar de bruikbaarheid van het model voor re-integreerbaarheid en naar de toegevoegde waarde van verschillende trajecten voor deze ontwikkeling.
Uit de resultaten van het onderzoek kwam naar voren dat klanten zich in het afgelopen jaar hebben ontwikkeld op de variabele re-integreerbaarheid (als 'bronnen' van re-integreerbaarheid worden in dit onderzoek onderscheiden: zelfredzaamheid, belemmeringen, sociaal kapitaal, compententies en gedrag & attituden) en op de meeste bijbehorende factoren en competenties. Per trede was een verschillende ontwikkeling zichtbaar. Uit de resultaten bleek eveneens dat de factoren en competenties van re-integreerbaarheid samenhangen met uitstroom naar werk. Met name het hebben van (weinig) persoonlijke belemmeringen, sollicitatievaardigheden, carrièreplanning en baanzoekgedrag heeft een voorspellende waarde voor uitstroom naar werk. Wat betreft de toegevoegde waarde van trajecten, lieten de resultaten zien dat de gevonden ontwikkeling in re-integreerbaarheid van klanten (deels) kan worden toegeschreven aan trajecten gericht op coaching, een flankerende voorziening, een praktische activiteit en startersbegeleiding. Per traject bleken bovendien verschillende factoren en competenties toe te nemen.
Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de variabele re-integreerbaarheid en de bijbehorende factoren en competenties niet alleen door de treden heen ontwikkelen –zoals aangetoond in eerder onderzoek–, maar ook in het afgelopen jaar zijn ontwikkeld bij klanten zelf. De trajecten van DWI hebben grotendeels bijgedragen aan de ontwikkeling. Ook is naar voren gekomen dat, zoals verwacht, er per trede verschillende factoren en competenties van belang zijn. De ontwikkeling van de factoren en competenties verloopt per traject verschillend.
Kortom, DWI Amsterdam levert een bijdrage aan de ontwikkeling van klanten op de variabele re-integreerbaarheid en de bijbehorende factoren en competenties, deels door de trajecten die worden ingezet. De huidige werkwijze kan nog verbeterd worden door interventies in te zetten die gericht zijn op de factoren en competenties die wel van belang zijn voor doorstroom tussen treden en uitstroom naar werk, maar het afgelopen jaar niet zijn toegenomen, zoals carrièreplanning en sociale vaardigheden. Ook zouden interventies meer gericht kunnen worden op persoonlijke ontwikkelingsdoelen. Een vereiste voor een dergelijke aanpak is dat ontwikkeling, doorstroom en uitstroom goed moet worden bijgehouden, zowel wat betreft van ‘harde’ criteria (treden) als ‘zachte’ criteria (re-integreerbaarheid). Bron: rapport; bewerking RWI 

Naar het rapport