In de beleidswereld worden onderbenutting en overscholing vaak als een significant probleem gezien. De gedachten hierachter zijn dat er bij overscholing teveel in onderwijs geïnvesteerd is, en dat er bij onderbenutting productieverlies is doordat mensen onder hun niveau werken qua beloning en productiviteit. Uit dit artikel blijkt dat overscholing of onderbenutting vaak een kwestie is van allocatie op de arbeidsmarkt, die weliswaar in eerste instantie verkeerd lijkt te zijn (‘mismatch’), maar toch efficiënt is als men rekening houdt met het gebrek aan werkervaring van schoolverlaters en jongeren, of met de geringere capaciteiten of ambities van ‘onderbenutte’ werkenden. Degenen die formeel (qua opleiding) onder hun niveau werken en overschoold lijken te zijn, kunnen gegeven hun capaciteiten en preferenties toch op hun plek zijn. Het verschijnsel onderbenutting of overscholing heeft dus een nuttige functie op de arbeidsmarkt. Een andere aanwijzing voor de ‘efficiëntie’ van onderbenutting is dat degenen op de arbeidsmarkt met weinig werkervaring relatief vaak onder hun formele opleidingsniveau werken. Van de werkzame jongeren (tot 30 jaar) met een mbo-diploma is ongeveer 35% ‘onderbenut’, en dat is ca. 10 à 15 %-punt hoger dan onder werkzame mbo’ers vanaf 30 jaar oud. Dat betekent tevens dat onderbenutting voor veel starters op de arbeidsmarkt tijdelijk van aard is: naarmate men meer werkervaring heeft neemt de ‘onderbenutting’ af, of beter gezegd stroomt men door naar een hoger functieniveau. Ook de regressie-analyses onder mbo-schoolverlaters wijzen op het belang van werkervaring. Dit artikel is tot stand gekomen naar aanleiding van een onderzoek voor de RWI 'Onderbenutting bij MBO'ers', 2009. Bron: artikel; bewerking RWI Naar het artikel