Centrale vraag in dit rapport is: Hoe zal de omvang van de mantelzorg zich de komende twintig jaar ontwikkelen, bezien vanuit het perspectief van zowel de verleners van zulke hulp als de ontvangers? Enkele conclusies uit het rapport: - Ouderen (65+) gaan in de toekomst minder beroep doen op mantelzorg. Terwijl het aantal ouderen tot 2030 met 62% stijgt, neemt het beroep op mantelzorg in deze leeftijdscategorie toe met 25%. - Het totaal aantal ontvangers van mantelzorg zal tot 2030 met 8% stijgen. - De meeste mantelzorgers (80%) zijn jonger dan 65 jaar. Het aantal oudere (65+) mantelzorgers neemt toe met 60%. Het totaal aantal mantelzorgers neemt tot 2030 toe met 5%. - Ouderen gaan vaker dan nu voor hun partner zorgen, waardoor het aantal mantelzorgers met een geringe draagkracht en een zware draaglast zal toenemen. - Wanneer vrouwen en mannen in de toekomst (zoveel mogelijk) full time gaan werken, zal het aantal mantelzorgers naar schatting 10% lager liggen dan in de huidige raming. In eerdere adviezen van het SCP over de mantelzorg is aandacht gevraagd voor de vaak problematische combinatie van werken en helpen. Er is in dat verband gewezen op de spanning tussen twee doelen van beleid: ‘meer mensen langer aan het werk’ en ‘grotere eigen verantwoordelijkheid van burgers voor hun hulpbehoevende netwerkleden’. In deze studie is die spanning in cijfers gevat, al verdient het verklaringsmodel op dit punt verdere ontwikkeling. Op basis van dit model is globaal uit te rekenen waar en in welke mate de realisering van de ene doelstelling ten koste zal gaan van de verwezenlijking van de andere en wat de prijs is als men beide doelen wil halen, bijvoorbeeld doordat extra formele zorg beschikbaar moet komen. Het voorbeeld van de scenario’s in arbeidsdeelname laat zien dat het ontwikkelde model ook zicht biedt op de mogelijkheden het verlenen of ontvangen van mantelzorg te sturen door te kijken naar de determinanten. Sommige van de determinanten, zoals leeftijd en geslacht, zijn ongevoelig voor beleid. Andere zijn dit wel, de een meer dan de ander; denk bijvoorbeeld aan de arbeidsdeelname, het samenwonen van ouderen en daarmee de samenstelling van het huishouden, de omvang van sociale netwerken en de geografische afstand tussen de netwerkleden en de preventie van aandoeningen en lichamelijke beperkingen. De schattingen laten zien bij welke determinanten sturing het meest effect zou sorteren. Het model is dus mede een instrument om kansen voor mantelzorgbeleid op te sporen en de effecten van zulk beleid ex ante te berekenen. Bron: rapport; bewerking RWI Naar het rapport