De centrale vraag van dit onderzoek is: wat zijn de mogelijke gevolgen van een hogere arbeidsparticipatie (van mannen en vrouwen) voor de tijdbesteding aan onbetaalde arbeid? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is onderzocht welke factoren invloed hebben op de tijdbesteding aan betaalde en onbetaalde arbeid. De centrale vraag leidt daarom tot de volgende aanvullende vraag: hoe groot is de invloed van verschillende verklarende factoren op de keuzes voor de hoeveelheid betaalde en onbetaalde arbeid van mannen en vrouwen in Nederland? Het onderzoek is beperkt tot niet-studerende personen van 20 tot 64 jaar, omdat de groep die hierbuiten valt minder deelneemt aan het arbeidsproces. Het is niet mogelijk voor deze laatste groep zinvolle analyses uit te voeren. Concluderend wordt gesteld dat een verhoging van de arbeidsparticipatie geen eenduidig effect heeft op onbetaalde arbeid. Belastingmaatregelen, zowel voor specifieke doelgroepen als voor de hele bevolking, leiden tot een toename van de arbeidsparticipatie ten koste van huishoudelijke taken en (bij mannen) van de zorg voor kinderen. Opvallend is dat mensen niet snel bezuinigen op vrijwilligerswerk en mantelzorg. Het streven naar een hoger opleidingsniveau leidt tot een evenwichtiger verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen. Hierbij wordt er in totaal iets meer tijd besteed aan vrijwilligerswerk en mantelzorg. Een meer fundamentele cultuuromslag, waardoor iedereen meer geneigd is om te gaan werken, zal echter leiden tot een afname van vrijwilligerswerk. Kennelijk zijn specifieke belastingmaatregelen en scholing dan betere instrumenten om de arbeidsparticipatie te bevorderen, zonder dat vrijwilligerswerk daardoor sterk in het gedrang komt. Bron: rapport; bewerking RWI
Naar het rapport